Interview: Diana Ozon
Known For: DDT666, Poet and writer
By: Kees Smit/nederpunk.punt.nl
How: Face to face
When: 14 mei 2008

“Mijn lichaam is van oude steen
rondgeslepen
door de streling van de tijd
bedekt met een jeugdgroen kleed
van velerlei kruiden en struiken
dat in rafels van m’n toppen hangt
en al teveel van mijn schoonheid
aan erosie verraadt”

Diana Ozon, Hup de Zee, 1986

Diana Ozon, geboren in 1959, is vanaf het eerste uur betrokken geweest bij nederpunk. Sinds jaar en dag, om precies te zijn vanaf 1977, is zij daarnaast actief als podiumdichteres en als zangeres in de band De Drie Boeddha’s. Haar poeziëdebuut was Laag bij de Grond uit 1982. Hiervan verscheen ook een cassetteversie samen met Lulu Zulu alias Ludwig Wisch. In 1983 verscheen de bundel de Obscure Camera. Zij publiceerde verder de dichtbundels Hup de Zee (1986), Stad Sta Stil (1993) en Bronwater (2005), alsmede de verhalenbundel de Ozon Express (1988) en de roman Kraker Jack (1991). Voor haar overige publicaties zie verder de bibliografie op www.diana-ozon.nl

Op woensdag 14 mei 2008 heb ik Diana geïnterviewd te midden van haar omvangrijke punkarchief waaruit zij tijdens ons gesprek regelmatig kon putten. Haar verhalen en anekdotes zijn een stukje nederpunkgeschiedenis. Maar ook een geschiedenis van de jeugd- en subcultuur in Nederland. Het valt op dat zij een geweldig geheugen voor namen, plaatsen en gebeurtenissen heeft. Niet onbelangrijk, want de punkgeschiedenis hangt van mythen en sterke verhalen aan elkaar zodat het niet altijd meevalt die te ontrafelen en de juiste toedracht te achterhalen. Dit klemt eens temeer daar waar het gebeurtenissen uit een grijs verleden betreft. Hier volgt de tekst van het interview.

Kees: Mijn eerste herinnering aan jou was een stukje TV. Je las een gedicht voor dat als ik me goed herinner Amsterdam Snelkookpan heette.
Diana: Dat was waarschijnlijk bij PKP (Ploeg-Klashorst-Ploeg), een piraat op de kabel.

Kees: Hebben die ook geen rondvaart met Dr. Rat gemaakt?
Diana: Dat herinner ik me niet, ze hebben Ivar wel gefilmd terwijl hij aan het werk is in een steeg, je ziet dat ook weer terug in de documentaire Kroonjuwelen over de graffitti-scene.

Kees: Wanneer kwam je voor het eerst in aanraking met het verschijnsel punk?
Diana: Toen ik op de middelbare school zat, het Hervormd Lyceum, werd ik op de gang door mede-leerlingen uitgescholden voor punk. Dat moet in 1976 zijn geweest. Ik had een wijde oude legerbroek aan die totaal versleten was. Mijn vader had die vroeger als verfbroek gebruikt. Het was een Canadese khaki-broek die met veiligheidsspelden aan elkaar hing. Zonder toen iets van punk af te weten wou ik een soort fashion-statement maken. Ik kwam thuis en zei tegen mijn ouders dat ze mij voor punk hadden uitgescholden. Mijn vader, die bij een uitgeverij werkte, is toen gaan zoeken in naslagwerken. Hij kwam tot de conclusie dat punk niks voor mij was. Bij de Atheneum-boekhandel op het Spui had hij punkfanzines gezien met hakenkruizen erop. Ik was toen scholier, trok me weinig aan van de scheldpartijen van mijn mede-scholieren en vergat het hele punkverhaal maar even. Totdat ik op een dag in mijn meisjeskamer op de radio The Sex Pistols hoorde. Dat was precies de muziek die paste bij hoe ik me toen voelde. Ik wist toen zeker: dit is mijn muziek ! Ik luisterde naar The Rolling Stones maar dat was toch een beetje behelpen. Ik had ook een soort Rock ‘n Roll Greatest Hits gekocht en dat kwam al meer in de buurt. Het was jongerenmuziek maar uit een tijd die ver achter ons lag. Ik herkende de jeugdenergie uit de Rock ‘n’ Roll maar dan van toepassing op die tijd.

Kees: Bij veel mensen die ik gesproken heb waren The Sex Pistols het begin, ook het optreden van Iggy Pop bij Toppop (met Lust for Life van de gelijknamige elpee) wordt echter veel genoemd.
Diana: Dat was natuurlijk fantastisch hoe hij die rotpalmen aanpakte en het hele decor omvertrok! Penny de Jager werd ook ingezet met haar showballet als de artiest niet op kwam dagen. Het had iets deconditionerends op dezelfde manier als de optredens van Dolf Brouwers als Sjef van Oekel. Het was een fluxus-moment, iets dadaïstisch. Toen The Sex Pistols in Maasbree optraden was dat ook te zien bij Achter het Nieuws.

Kees: Punk en kunst zijn, althans zo zie ik het, bij jou twee verweven begrippen geworden. Niet alleen poezië maar ook beeldende kunst en het ontwerpen en uitgeven van drukwerk (fanzines e.d.).
Diana: Ik schreef vrij grimmige verhalen voor de schoolkrant ongeveer in de stijl van Jan Wolkers. Ik had een vrij somber maatschappijbeeld. Ik was naar de Rietveld-academie gegaan om modeontwerpster te worden. Ik wou couture of zelfs haut couture maken of theater-kostuums gaan ontwerpen. Ik vond het heel belangrijk dat de mensheid er niet als een eenheidsworst uitzag maar heel divers en tegendraads gekleed ging. Al vrij snel kwam ik andere mensen tegen die zich ook punk noemden. Dat waren Hugo Kaagman, Christian Kanstadt en Lulu Zulu alias Ludwig Wisch. Die maakten de Koekrandt en ik ging vrijwel meteen met ze meewerken. In de Koekrandt bracht ik mijn eerste dichtbundel uit. Op de Rietveld werd toen gezegd dat ik een keuze moest maken tussen de academie en mijn andere activiteiten. De academie boeide mij toch niet zo. Ik had het daar toen wel gehad. Hugo en Christian waren werkloos en zagen dat als een manier om van daaruit zelf iets te gaan creëren. Zij hadden hun opleiding al achter de rug en hadden gezien dat diploma’s pleepapier waren omdat je toch werkloos werd en in de BKR terecht zou komen.

Kees: Veel punks van toen deden wat badinerend over de makers van de Koekrandt. Het was allemaal nogal elitair volgens hen, kunstacademiemensen.
Diana: En dat terwijl ik maar zes weken op de Rietveld heb gezeten. Hugo had sociale geografie gestudeerd maar was daar mee gestopt. Christian had een grote voorliefde voor de poezië van Rimbaud en Majakovski. Dat was mij wat te elitair destijds. Ik was een jongere zonder uitkering en ik had een huis gekraakt maar degene die daar op zou passen was weggegaan en toen ik een keer thuiskwam was het pand dichtgemetseld. Ik had alleen nog een overall met wat spullen erin en dat was mijn hele bezit. Ik liep de Sarphatistraat binnen waar ik aan fietsen ging knutselen in de kelder. Hugo was toen bezig om de strip Ollie Buma te tekenen. Ik ging hem al vrij snel helpen. We kregen een relatie. We gingen b.v. wel eens naar de opening van een tentoonstelling in een museum waar je dan gratis kon drinken. Soms was de tentoonstelling leuk en soms niet. We hebben toen ook de Koekrandt in een omgebouwde sigarettenautomaat gedaan, dat was een idee van Christian. Dat werd de Artomaat waarover nog een artikel in de krant heeft gestaan (zie voor een afbeelding van Artomaat het fotoalbum, KS). Ik ging toen doosjes snijden met een mal en propte daar de Koekrandt in. Hugo had in het begin veel reisverhalen geschreven. Ook de geschiedenis van het kraakpand werd erin beschreven. De eerste oplage was slechts 25 stuks. Daarna werd het 50 en 100. Christian had het veel over de verdoemde dichters en probeerde daar in zijn eigen poezië aan te refereren.

Ik plaats mijn eerste punkgedichten (waaronder “ik kots ik walg ik baal, krijg toch de klere allemaal”). Daarin kwamen er interviews met bandjes als Krash on Poland (met Max en Edu Kisman) en met Half Twee van Helmettes. Ook Eric Hobijn (pyrokunstenaar) stond er in. De deskundoloog Max Reneman kwam er ook in voor. Die kende Theo Kleij weer waardoor een connectie met Ruigoord ontstond. Toen de Artomaat in het Stedelijk Museum stond kwam ik Ivar Vics (alias Dr. Rat) tegen die ik al van vroeger kende. Hij was een jeugdvriendje. Een paar jaar daarvoor was ik verhuisd uit de buurt waar wij opgegroeid waren. We zijn toen de punkclub DDT 666 begonnen (zie verslag van Diana elders op de site, KS). Ivar had dit idee opgedaan in Londen waar hij op vakantie was geweest. In het Zebrahuis (dat toen nog niet zo heette) hebben we een gemeenschappelijke ruimte daarvoor ingericht. In 1978 gingen we bij wijze van uitje naar het vliegerfestival in Almere waar ik de Ruigoorders voor het eerst tegenkwam. Hierdoor werd mijn wereld wat groter dan alleen Paradiso en de Tichel. Ivar had ook een wat bredere kijk op de dingen. Voor mensen die vooral tot de scene zijn gaan behoren vanwege het bier en de bandjes (ook wel “Lang Leve de Lol-punks genoemd, zie de gelijknamige documentaire van Alfred Broer, KS) kan dat destijds wat raar zijn overgekomen.

Kees: Hoewel sprake was van een tweestromenland kwamen volgens mij beide richtingen ook vaak bij elkaar destijds.
Diana: Ja dat kon heel goed. Het liep vaak erg synchroon. Ik wou ook zoveel mogelijk actueel scenenieuws in de Koekrandt hebben. Christian is toen zijn eigen Koekrandt begonnen omdat hij zich vooral concentreerde op poezië. Ik vond dat niet geschikt voor mijn doelgroep. Hugo ging zich steeds meer interesseren in rastafari omdat hij bevriend raakte met een rasta. Daardoor ontstond een tegenstelling tussen aan de ene kant bands als Jezus & the Gospelfuckers en anderzijds vrome rasta’s.

Kees: Ik weet nog dat de Rotterdamse scene zich nogal heeft afgezet tegen rasta, ze vonden dat niet echt kunnen.
Diana: In Rotterdam werd het Rock against Religion-festival georganiseerd. Hun achterban was erg tegen religie en moest dus niets hebben van rasta’s. Er was een enorme schare fans rond de Rondos. De Koekrandt had niet echt fans maar natuurlijk wel een aantal vaste lezers. Overigens was men in Rotterdam heel serieus en politiek bewust en veel met kunst bezig. In wezen waren ze op dezelfde manier bezig met punk hoewel ze dat niet lieten merken. De controverse werd een beetje opgeblazen, hetgeen ik ook wel komisch vond.

Kees: Als je kijkt naar de Koekrandt was er destijds niet echt een band omheen.
Diana: We hadden de Nonvaleurs. We werkten veel samen met Infexion en Jezus & the Gospelfuckers. Met Bugs wat minder, die waren wat reserveerder. We spoorden ze wel aan om een singletje te gaan maken. Mijn standpunt was als redactrice altijd: elke band is even goed. Ik trok niet een bepaalde band voor. Er waren veel kliekjes, ook regionaal. En dan kwamen er ineens boeren. Dat vond ik juist te gek, ik was wars van hokjesgeest of sektarisme.

Kees: In 1982 zat ik naar Radio Stad Amsterdam te luisteren en kwam de documentaire I.M.M. Dr. Rat van Andrea Bouma langs. Omdat jij Ivar heel goed had gekend en veel met hem had samengewerkt kwam jij daar natuurlijk ook in voor. Later werd deze documentaire verkozen tot een van de beste radiodocumentaires aller tijden en in een verkorte versie op internet gezet.
Diana: In dat programma zaten onder meer Erik Hobijn, Jos Elderse Baas, Mike Bibikov, de ouders van Ivar, Liesbeth Verstege en een paar mensen die hij vanuit zijn kunstenaarschap kende. Hij had een vrij brede vriendenkring. Hij ging bijvoorbeeld ook om met mensen uit de jazz-scene waarmee hij af en toe een mooie wijn dronk met een kaasplankje erbij.

Kees: Van een collega van mij hoorde ik het volgende verhaal over Ivar. De vader van Ivar zou bij het GEB hebben gewerkt bij de afdeling lantarenpalen en zodoende in het bezit zijn van een moedersleutel waarmee je lantarenpalen kon openen. Ivar zou deze sleutel gestolen hebben en op die manier in lantarenpalen allerlei spullen hebben bewaard. Ik weet niet of dit weer zo’n mythe is.
Diana: Het verhaal klopt niet helemaal maar is ook weer niet helemaal verzonnen. Ivar’s vader was graficus en heeft met dit verhaal dus weinig te maken, behalve met het eind ervan. Ivar had inderdaad de steeksleutel die je voor lantarenpalen kon gebruiken. Ik heb er zelf trouwens ook nog een die vroeger gebruikt werd om stroom af te tappen om een airbrush te laten werken. Ivar had nogal kleptomanische neigingen soms. Hij opende lantarenpalen en overigens ook straatkastjes. Zo verborg hij een malienkolderhandschoen en een spuitbus. Toen Ivar overleden was vertelde ik dit verhaal. Zijn vader is toen met die sleutel alle lantarenpalen afgegaan om te kijken of er nog iets van Ivar in lag. Zelf heb ik die act wel eens gebruikt in een TV-programma. Ik haalde toen op het Museumplein ineens een biertje uit een lantarenpaal.

Kees: Ik vond het een prachtig idee dat je op de straat als het ware je eigen locker hebt zoals we tegenwoordig zouden zeggen.

Kees: In de loop der jaren heb je een omvangrijk archief over punk en verwante onderwerpen aangelegd. Het lijkt me aardig om dat verder als leidraad voor het interview te gebruiken. Het archief is enorm. Kun je daar iets over het ontstaan van het archief vertellen ?

Diana: in mijn tienerjaren begon ik allerlei knipsels te verzamelen. Ik had interesse in de Nieuwmarktrellen en ik luisterde naar radio Sirene wat toen de krakersradio was. Ik ging verzamelen in 1973. Knispels over punk waren er natuurlijk toen nog niet. Die knispels zaten in een koffertje. Later ben ik vanaf 1977 heel veel artikelen (niet alleen over punk trouwens maar ook over de kraakbeweging en andere interessante maatschappelijke ontwikkelingen) gaan verzamelen. Ik heb ook een artikel over mijn allereerste performance in het Drieluyk in Zaandam als punkdichteres in het voorprogramma van de band Panic. Lulu Zulu, Hugo en Christian en een meisje dat Antje heet deden ook mee. De Panic vond het allemaal maar niks en beschreven ons als intellectuele hopen stront die voor een flink bedrag optraden. Dat viel hard mee want het ging om drie tientjes of zo. We hebben Koekrandt-stickers gemaakt en die ook bij Peter Panic op de deur geplakt. Om Panic de wind uit de zeilen te nemen beweerden we zelf ook dat we intellectuele hopen stront waren, dat vonden we prachtig natuurlijk!

In kranten en tijdschriften verschenen berichten over punk, o.m. in NRC en de Nieuwe Revu. Een aardig detail in die tijd was dat er een RAF-terrorist in het Zebrahuis heeft gewoond. Ze zijn nog op zoek geweest naar de Koekrandt typemachine waar die terrorist op geschreven zou hebben. Wij speelden juist amateur-terroristje door een scene uit de jaren zestig na te spelen waarin een medewerker van een ambassade onder schot werd gehouden door een terrorist. Dit was een poging om voorbijgangers te deconditioneren. Ineens bleek er echt een terrorist te wonen. Christian heeft de typemachine verstopt op het balkon zodat hij niet gevonden werd. Later werd hij uit het raam gegooid en heb ik hem weer teruggehaald.

Kees: Er bestaat toch ook een foto van Ivar als RAF-lid?
Diana: Ja dat klopt, dat was ook een grap. Een manier om de brave burgers op de kast te jagen. Daarnaast ben ik natuurlijk alle Koekranten die uitgekwamen waren gaan verzamelen. De oudste exemplaren moest ik bij de huisbewoners bij het oud papier vandaan halen. We hadden ook een klein archiefje waarin ik fanzines van anderen bewaarde. Hugo had de neiging daar uit te knippen als hij een sjabloon nodig had. Dat irriteerde mij en was altijd een strijd. Simon Vinkenoog kwam een keer langs en daar raakte ik bevriend mee. Hij adviseerde mij om archiefmappen te gaan kopen, zogenaamde kameelmappen. Dit zijn grote vouwmappen. Ik ben toen gaan rubriceren en dat werd “Diana’s archief, afblijven”. Halverwege de jaren tachtig ging ik bij het Fort van Sjakoo werken om meer over het anarchisme te weten te komen. Ik leerde daar Tjebbe van Tijen kennen. Die vertelde mij dat we moesten leren denken als computers omdat computers volgens ons gedachtenpatroon geprogrammeerd waren. Van hem heb ik veel opgestoken. Ik heb toen een kaartsysteem ontwikkeld om allerlei bands, fanzines en personen te kunnen rubriceren. Gaandeweg kwamen er steeds minder fanzines en verschoof de informatie naar het toen nog prille internet. Nederpunk zou in het analoge tijdperk natuurlijk ook een papieren medium zijn geweest. Ik heb alle fanzines ook gerubriceerd en heb daar veel mappen van aangelegd. Ik heb al eens een hele lijst met fanzines aan jou gemaild.

Kees: Dat klopt want op nederpunk staat een artikel over fanzines dat door jou is aangevuld met ontbrekende namen en gegevens.
Diana: Later heb ik ook nog een archiefje van de hip hop en housegeneratie aangelegd met als gedachtengang het in kaart brengen van de jongerenkultuur. Als het om subkulturen ging heb ik zelf ervaren dat de reguliere media geen toereikende verslaggeving te bieden hadden. Ook graffiti heeft altijd mijn bijzondere aandacht gehad. Als het om kunst gaat heb ik me daarin gespecialiseerd, ik geef nog steeds lezingen over dit onderwerp op scholen. Ik heb me daarbij vooral beperkt tot de Nederlandse graffiti. Ik lees nog steeds graffiti in de openbare ruimte of het openbaar vervoer.

Kees: Een andere vraag die nog bij mij opkwam was hoe eigenlijk het pseudoniem Ozon ontstaan is.
Diana: Van de A uit galerie Anus spoot ik sjablonen met een spuitbus. Er kwam een keer een Amerikaan langs die vertelde dat het werken met een spuitbus ongezond was vanwege het drijfgas dat erin zat. Ik spoot trouwens toen al met een gasmasker op. Hij begon ook over de Ozon-laag die werd aangetast door het gas in de spuitbussen. Toen Anus wegens geldgebrek een tijdje dicht was zijn we een winkel begonnen in plaats van een galerie. Dat werd de winkel Ozon, genoemd naar het drijfgas in de spuitbussen. Al gauw begonnen ze mij zelf ook Ozon te noemen. Deze bijnaam bleef hangen en werd ook mijn pseudoniem als schrijfster.

Kees: We bekijken nu een groot aantal items uit je archief over graffiti. In museum Fodor werd in 1980 een graffiti-tentoonstelling gehouden waar ook een soort performance plaatsvond.
Diana: Iedereen ging naar de tentoonstelling om het werk dat er al hing verder af te maken. Een zeer vrije kunstvorm dus. Ik heb toen ook een enquete gehouden die overigens volgens wetenschappelijke normen niet representatief was. Ik vroeg b.v. wat Anus voor instelling was. Daar kwamen aardige resultaten uit. Of wie al dan niet punk was. Ik was dus niet alleen geïnteresseerd in het archiveren van feitenmateriaal maar ook in het opslaan van meningen en standpunten om de tijdgeest van dat moment als het ware te kunnen conserveren. Door dit materiaal te bekijken kun je dan als het ware teruggaan naar die tijd. Ik hield zelfs een soort grafiek bij van de omzet van de Koekrandt (aantal verkochte exemplaren).

Kees: Tegenwoordig zou je zeggen: het aantal hits.
Diana: Ja zoiets. 30 april 1980 was een hoogtepunt toen was het natuurlijk erg druk in de stad. Toen we in het Parool kwamen voor het eerst steeg het ook behoorlijk. Ik heb er ook vaak over gedacht om een echt punkboek te gaan schrijven. In die tijd kon ik daar de rust niet echt voor vinden. Om echt te kunnen schrijven moet je je afzonderen en gedraag je je eigenlijk vrij asociaal. Daarnaast wilde ik sommige gebeurtenissen eerst als het ware laten verjaren. Niet dat ik zo’n crimineel leven leidde maar je deed soms toch dingen die niet helemaal niet mochten. Dat gold ook voor anderen die ik niet als een soort raddraaiers wilde neerzetten. Later ben ik vooral mijn eigen verhaal gaan opschrijven om niet het leven van anderen te gaan uitbuiten. Ik vind dat niet integer.

Kees: Gek genoeg doet mij dat denken aan wat Lucebert eens zei: “Ik draai een kleine revolutie af”. Jouw ervaringen, jouw “punkzijn”, jouw eigen persoonlijke revolutie.
Diana: Ik heb wel eens gezegd: zoveel verschillende punks, zoveel verschillende punkbewegingen. Ik merk elke weer dat iedereen een ontzettend eigen beleving van de punkperiode had. De keuzes die je maakte, de mensen met wie je omging, de muziek waar je naar luisterde, etc. etc. was voor iedereen verschillend.

In de begintijd maakten we erg veel T-shirts. Dat was vaak een drukte van belang als er b.v. een ontruiming was en er een groot aantal T-shirts met b.v. ME weg ermee of zo gemaakt moesten worden. We verkochten die shirts voor veel lagere prijzen dan de reguliere winkels in Amsterdam. Wat wel eens vergeten werd was dat ik maar heel kort een uitkering heb gehad. Ik wou een eigen inkomen opbouwen, zij het natuurlijk in het alternatieve circuit. Omdat wij een winkel hadden was het risico groot dat de Sociale Dienst daar achter zou komen en dan zat je met een groot probleem.

Kees: Veel punks in die tijd gebruikten ook schuilnamen zodat de Sociale Dienst niet achter nu andere activiteiten zou komen.
Diana: Klopt maar als je een winkel hebt gaat die truc niet op. Ik had in 1978 kort een uitkering. Ik liep met de Koekrandt te leuren in Paradiso en kwam daar een ambtenaar van de sociale dienst tegen die over mijn uitkering ging. Dat was niet zo fijn natuurlijk. Gelukkig gaf hij het niet door. Vrij snel daarna ben ik een tijdje naar Afrika gegaan en heb ik mijn uitkering opgezegd. De Afrika reis kon ik betalen omdat ze me per abuis verkeerd hadden ingeschaald als thuiswonend kind. Ik kreeg toen veel geld met terugwerkende kracht. Ik heb toen ik uit Afrika terugkwam een week bij een uitzendburo gewerkt. Dat het voordeel dat je dan niet hoefde te zeggen wat je verder ging doen. In Afrika had ik gezien dat er heel veel mensen waren die een eigen handeltje dreven. Voordat we Anus begonnen zijn we eerst gaan kijken bij Rough Trade in Londen (die in die tijd al een winkeltje en een platenlabel hadden, KS). We hebben daar ook wat fanzines en singletjes ingeslagen. Die waren toen al bezig met new wave van Fad Gadget en Young Marble Giants en waren vanuit de punk al verder geëvolueerd. In het Fort van Sjakoo zijn we toen gaan vragen wat er bij kwam kijken om een winkel te beginnen. Ik had wel bijbaantjes om de boel draaiend te houden, b.v. schoonmaakwerk in een jeugdherberg. Het was dus niet zo dat echt iedereen werkloos was. Het avond aan avond in de kroeg hangen wat veel punks deden was er voor ons dus niet bij. We hadden weinig geld en het geld dat we verdienden vloeide vaak weer terug in de winkelkas.

Kees: Wat heb je terugblikkend op de punkbeweging (om het toch maar even zo te noemen) als positief en als negatief ervaren?
Diana: Het mooiste ervan vond ik dat je toen vrijwel alles kon doen en je kreativiteit optimaal kon uiten. De jeugdkultuur waarvan punk en ook kraken onderdeel van uitmaakten bood ongekende mogelijkheden. Denk daarbij ook aan het credo “Do it Yourself”. Een alternatief bieden voor het uniforme en het gangbare. Dit sprak veel jonge mensen natuurlijk erg aan.

Aan de ene kant was het No Future maar tegelijkertijd werkte je wel aan je eigen Future alleen dat besefte je toen nog niet. Fanatiek archiveren terwijl je aan de andere kant denkt dat het elk moment afgelopen kan zijn (Drop de Neutronenbom, KS) heeft wel iets tegenstrijdigs natuurlijk. Maar als de neutronenbom valt blijft alles heel behalve mensen. Misschien dat er latent toch ook wel het gevoel aanwezig was dat het zo’n vaart niet zou lopen.

Kees: Ik heb vaak ervaren dat punk als een negatieve beweging werd gezien, de Destroy-gedachte. Zelf zag ik het vooral positief. Wel afbreken maar iets nieuws opbouwen op de puinhopen.
Diana: Ik heb zelf natuurlijk met veel plezier dingen getrasht omdat ik vond dat ze stuk moesten. Maar dat was niet alleen negatief, afbreken was positief omdat er dan iets anders in de plaats voor kwam. Zelfs mijn eigen kunst heb ik soms vernietigd om ruimte te bieden voor iets nieuws. Zo heb ik installaties en sculpturen gemaakt waar niets van overgebleven is. Dat scheelde een hoop opslagruimte. Ik heb ook allerlei kostuums gemaakt die er nu niet meer zijn. Voor informatiedragers maakte ik een uitzondering. We deden dus heel veel en hadden een hoop lol. Het leven leek toen eindeloos te duren. Je zat op de stoep in de zon bij huize Chaos. Aan zo’n dag kwam geen einde. Na het eten ging je dan nog naar Paradiso of de kroeg in of allebei en de volgende dag duurde dan weer eindeloos. Het was ook wel een kommervolle tijd. Er waren veel mensen met grote problemen. Drugs, drank, extreme armoede, er was nooit geld. Er waren heel weinig mensen die nieuwe kleren konden kopen. We moesten ons vaak behelpen met tweedehands afdankertjes. We ruilden heel veel onderling. Niet verzekerd, veel ziekte, incidenten, geweld, drama’s. Het meest traumatisch was voor mij het enorme politiegeweld in 1980 rond de Vondelstraat eind januari en de Kroningsdag op 30 april. Dat heb ik van dichtbij meegemaakt. De geur van CS-gas is voor mij een tastbare slechte herinnering daaraan. In het najaar van 1980 ging ik naar Senegal. Ze bleken daar dezelfde ME-busjes te hebben als hier. Ik liep daar op straat en dook meteen een zijstraat in om er van daaruit naar te kijken. De Senegaleze jongeren op straat moesten daar erg om lachen. Daaruit bleek toch wel dat ik traumatisch gedrag vertoonde. Ik had vaak nachtmerries dat ik in elkaar geslagen werd door de ME. De ontruimingsdreiging in het Zebrahuis (ik heb daar 19 jaar gewoond) voel ik ook nog regelmatig. Elke keer als ik terugkwam van een reis en ik kwam uit de metro vroeg ik me weer af of het pand er nog stond. Die enorme druk is pas later van me afgevallen. Ik moest erg wennen aan de rust en vrede om me heen toen ik in een “normale” woning ging wonen. Onze generatie heeft daar toch wel een trauma aan overgehouden. We maakten een bepaalde maatschappelijke keuze.

Kees: Je ziet dat ook terug in de documentaire De Stad Was van Ons van Joost Seelen. Daar komt iemand in voor die in elkaar geslagen was en bedreigd werd. Die had daar ook erg last van.
Diana: Ik heb er ook een automatisch vooroordeel tegen de politie aan overgehouden. Er kunnen natuurlijk best situaties zijn waarin politieoptreden nuttig kan zijn, maar dat komt niet snel bij mij op. De politie is zeker niet de instantie die ik bel als er een probleem is. Dat heeft er denk ik ook mee te maken dat wij jarenlang geen enkele autoriteit hebben erkend, ook niet bijvoorbeeld onder de bewoners van een kraakpand. Toch staan er altijd figuren op die het voor het zeggen willen hebben en daar misbruik van maken. Daarnaast trekt het maatschappelijk gestoorden, asocialen en gekken aan. Voor dergelijke mensen kon een kraakpand een vrijplaats zijn. Zie bijvoorbeeld wat ik beschrijf in Kraker Jack over de leden van de Columbiaanse drugsmafia die in een kraakpand gingen logeren als een soort safehouse. Mensen die iets te verbergen hadden konden bij ons schuilen. Het waren in feite een soort sociale parasieten die misbruik maakten van de extreme tolerantie die in de kraakbeweging heerste. Die mensen werden niet snel op straat gezet, we bleven proberen om ze erbij te houden. Naast de repressie van buitenaf werd je dus ook van binnenuit bedreigd. Dat was dus een negatief aspect. Het Zebrahuis is uiteindelijk gesloopt, hoewel de gevel is behouden gebleven. We hadden graag gezien dat het voor ons zou worden opgeknapt, maar dat kon alleen als het lelijke HAT-eenheden zouden worden. Dat leek ons niks. Op die manier konden we niet de vrijplaats creëren die we voor ogen hadden. Uiteindelijk werd iedereen uitgeplaatst in het kader van de stadsvernieuwing en was het afgelopen.

Hoewel we natuurlijk gedwongen waren een selectie uit de vele onderwerpen te maken, is toch bijna alles wat ik wilde vragen aan bod gekomen. Bedankt voor het interview, Diana !